Hof 's-Hertogenbosch 7 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1994
Verwijzingszaak van Hoge Raad 12 juli 2013, nr. 12/01745, ECLI:NL:HR:2013:26, BNB 2013/227 Belanghebbende gaat met ingang van 1 januari 1995 een maatschap aan met haar echtgenoot en haar ouders. De ouders brengen het gebruik en genot ten aanzien van de gebouwen, cultuurgronden en quota in de maatschap in. Per 30 april 2004 wordt de maatschap ontbonden in verband met het uittreden van de ouders. De onderneming wordt vervolgens geruisloos doorgeschoven. Belanghebbende is € 150.000 verschuldigd voor de overname van de onderneming. Het restant – van € 1.202.691 – wordt geschonken. Belanghebbende verzoekt in de aangifte voor het recht van schenking om toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit ex art. 35b en art. 35c SW en berekent het verschuldigde schenkingsrecht op € 264.414, welk bedrag volgens haar geheel in de vorm van een voorwaardelijk onbelaste conserverende aanslag moet worden opgelegd. De Inspecteur wijkt af van de aangifte en kondigt aan dat, uitgaande van een belaste verkrijging van € 584.072, voor een bedrag van € 73.624 een reguliere aanslag in het recht van schenking zal worden opgelegd. In het arrest van 12 juli 2013, nr. 12/01745, ECLI:NL:HR:2013:26, BNB 2013/227, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de tot de overgedragen onderneming behorende schulden niet zijn aan te merken als een tegenprestatie of last in de zin van art. 7c Uitvoeringsregeling SW 1956 en voorts dat de door belanghebbende overgenomen latente belastingclaim wel is aan te merken als een tegenprestatie in de zin van art. 7c Uitvoeringsregeling SW 1956. Na verwijzing is tussen partijen nog in geschil het antwoord op de vraag of de door belanghebbende toegepaste (her)berekening van de voortzettingswaarde, ten opzichte van de gestandaardiseerde berekening van het Besluit van de Minister van Financiën van 22 februari 2004, nr. CPP2004/322M, V-N 2004/14.26 (hierna: het Besluit), als een voldoende eigenstandige berekening kwalificeert. Subsidiair is in geschil of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met de door haar verdedigde waarde een voldoende zelfstandige berekening van de voortzettingswaarde van de onderneming heeft gemaakt. Het Hof gaat in op de afzonderlijke elementen van de berekening waarover tussen partijen discussie bestaat, zoals de voortzettingstermijn, het gebruik van de parameters van het Besluit, het melkquotum en de netto kasstroom. Het Hof acht aannemelijk dat de door belanghebbende verdedigde rekengrootheden een getrouw beeld geven van de waarde van de onderneming. Hetgeen de Inspecteur daartegenover stelt is van onvoldoende gewicht. Ook het argument van de Inspecteur, dat met een geringe afwijking ten opzichte van het model de aftrek van langlopende schulden gerealiseerd kan worden, faalt nu de toegepaste rekengrootheden door het Hof op zijn merites zijn beoordeeld. Dit alles leidt tot het oordeel dat de berekening van belanghebbende voldoende autonoom is om te kwalificeren als zelfstandige berekening ten opzichte van het rekenmodel van het Besluit. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl