Hof 's-Hertogenbosch 24 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1052
Een agrariër stelt dat hij door bevrijdende verjaring ex artikel 3:105 BW en verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW eigenaar is geworden van bepaalde gemeentegronden omdat hij die gronden gedurende enkele tientallen jaren heeft betrokken bij de exploitatie van de agrarische onderneming die hij in belangrijke mate op gepachte percelen uitoefende. Het hof verwerpt het beroep op verjaring omdat naar de hierbij te hanteren objectieve maatstaven geen sprake is geweest van ondubbelzinnig bezit gedurende de verjaringstermijn. Het in gebruik nemen en houden van de percelen kon er onder de omstandigheden van dit geval evenzeer op duiden dat de agrariër meende dat hij op grond van een pachtovereenkomst met betrekking tot aangrenzende percelen ook tot het gebruik van de in geschil zijnde percelen (als pachter en niet als eigenaar) gerechtigd was.
De uitspraak op rechtspraak.nl