Hof 's-Hertogenbosch 19 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5407
Aan belanghebbende is over het jaar 2008 op 17 mei 2011 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. Op 6 september 2012 heeft belanghebbende opnieuw aangifte gedaan voor het onderhavige jaar. De Inspecteur heeft deze nieuwe aangifte als een bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag aangemerkt en vervolgens het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De Inspecteur heeft dit bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en dit verzoek afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard voor zover het betreft de uitspraak op bezwaar en niet-ontvankelijk voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Het Hof is, in overeenstemming met de Rechtbank, van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat belanghebbende derhalve terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Het feit dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de aanslag in staat van faillissement verkeerde, doet hier niet aan af. Op grond van art. 43 AWR konden de bevoegdheden van belanghebbende in de bezwaarprocedure worden uitgeoefend door zijn curator, maar belanghebbende was zelf ook bevoegd om bezwaar te maken tegen de aanslag, niettegenstaande zijn faillissement. Daarnaast is het Hof van oordeel dat de Rechtbank, gezien art. 65 jo. 26, lid 1, van de AWR, zich onbevoegd had moeten verklaren tot kennisneming van het beroep voor zover dat tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering was gericht. Tegen die beschikking staat immers, gezien art. 26, lid 1, van de AWR en art. 7:1, lid 1 van de Awb, geen bezwaar en beroep open.
De uitspraak op rechtspraak.nl