Hof 's-Hertogenbosch 4 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5202

Aangezien het in rekening brengen van aanmaningskosten en kosten van betekening van dwangbevelen, gezien art. 2 en 3 van de Kostenwet, een rechtstreeks gevolg is van het verrichten van invorderingswerkzaamheden van art. 1 van de Kostenwet, heeft de Rechtbank met haar oordelen over de voortijdigheid van de aanmaningen en de betekening van de dwangbevelen de grenzen van haar absolute competentie niet miskend. Belanghebbende beschikte voor de betaling van de belastingschuld over voldoende vermogensbestanddelen en hij was bereid andersoortige zekerheden te stellen dan de door de Ontvanger geëiste. Van vrees dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, is geen sprake. Er was geen reden hangende belanghebbendes administratief beroep de invordering door te zetten, zodat de Ontvanger belanghebbende toen ten onrechte heeft aangemaand. Belanghebbende is, nadat op het administratief beroep was beslist, niet aangemaand, zodat belanghebbende in het geheel niet rechtsgeldig is aangemaand. Dat betekent dat evenmin rechtsgeldig dwangbevelen konden worden betekend, en dus de daarmee gepaard gaande kosten evenmin rechtsgeldig konden worden berekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken