Hof 's-Hertogenbosch 30 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4508

Gerechtelijke vaststelling vaderschap. Toepassing Belgisch recht: artikelen 1:322, 1:332quinquies, 1:324 en 1:331octies van het Belgisch Burgerlijk Wetboek. De man heeft bewijs van al zijn stellingen door alle middelen rechtens aangeboden, in het bijzonder door het overleggen van nadere stukken, om aan te tonen dat hij niet de biologische vader van het kind is c.q. kan zijn. De man heeft in eerste aanleg en in hoger beroep geen rechtens relevante redenen aangevoerd om zijn medewerking aan een DNA-onderzoek te weigeren. Uit de weigering zonder rechtens relevante reden om zich aan het bevolen onderzoek te onderwerpen, kan de rechter een feitelijk vermoeden van het vaderschap afleiden. Op grond van het voorgaande en gelet op de uitvoerige verklaringen en gedetailleerde beschrijvingen van de moeder over onder meer de relatie met de man en gebeurtenissen rondom de geboorte van het kind, is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de man de vader van het kind kan zijn. Aan het bewijsaanbod van de man gaat het hof voorbij nu hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn aanbod schriftelijke bewijsstukken aan het hof over te leggen, niet wenst mee te werken aan een DNA-onderzoek en overigens zijn bewijsaanbod onvoldoende heeft gespecificeerd. Bij gebreke van bewijs van het tegendeel gaat het hof er dan ook vanuit dat de man de verwekker is van het kind.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken