Hof 's-Hertogenbosch 23 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:135

In geschil is het antwoord op de vraag of de echtgenote van belanghebbende hoofdverblijf heeft in de gemeente Schouwen-Duiveland, als bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Nu zowel belanghebbende als de echtgenote als belastingplichtige voor de forensenbelasting is aan te merken, is de aanslag ingevolge het bepaalde in art. 253, lid 1, Gemeentewet op de naam van één van hen gesteld en overeenkomstig gemeentelijk beleid is de aanslag tenaamgesteld van de oudste van de belastingplichtigen, zijnde belanghebbende. Hoewel in beginsel op de Heffingsambtenaar de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat voldaan wordt aan de voorwaarden van het belastbare feit, breng een redelijke verdeling van de bewijslast in dit geval een andere verdeling van die bewijslast mee. De Heffingsambtenaar zou dan immers een negatief bewijs moeten leveren, hetgeen, naar algemeen wordt aangenomen, zo goed als onbewijsbaar is. In het onderhavige geval is belanghebbende de meest gerede partij is om aannemelijk te maken dat de echtgenote in 2011 haar hoofverblijf in Renesse heeft. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, is dat niet aannemelijk gemaakt. Hieraan doet niet af dat de Heffingsambtenaar zich niet ook rechtstreeks tot de echtgenote (als zijnde de andere belastingplichtige) heeft gewend met verzoeken om informatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen