Hof 's-Hertogenbosch 6 mei 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1256

Werkneemster vordert drie jaar na ontslag schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en voert in dat kader aan dat werkgever de arbeidsovereenkomst in de proeftijd heeft beëindigd wegens het bestaan van een chronische ziekte en daardoor in strijd heeft gehandeld met het discriminatieverbod van artikel 4 aanhef en onder b WGBH/CZ. Naar het oordeel van het hof is er in de onderhavige zaak geen plaats voor een schadevordering op grond van onrechtmatige daad. Werkneemster heeft niet binnen de daarvoor geldende termijn op grond van artikel 9 lid 1 WGBH/CZ de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen. Evenmin heeft zij binnen de daarvoor gestelde termijn een schadevergoeding gevorderd op grond van kennelijk onredelijk ontslag (artikel 7:681 BW). Beide vorderingen zijn inmiddels verjaard en het gegeven ontslag is rechtsgeldig en onaantastbaar. In het onderhavige geval kan naar het oordeel van het hof slechts sprake zijn van een vordering van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad – en dus van een ontgaan van de kortere verjaringstermijnen zoals die gelden voor het inroepen van de vernietigbaarheid van het ontslag wegens strijd met een discriminatieverbod en voor een schadevordering op grond van kennelijk onredelijk ontslag -, indien de aan de werkgever verweten gedraging ook los van de vraag of het ontslag daardoor vernietigbaar dan wel kennelijk onredelijk is en dus los van en buiten het gesloten stelsel van het ontslagrecht als een onrechtmatige daad kan worden aangemerkt (vgl. HR 3 december 1999, NJ 2000/235, ECLI:NL:HR:1999:AA3818). Werkneemster heeft, afgezien van het aan haar gegeven - inmiddels onaantastbare en daarmee rechtsgeldige - ontslag tijdens proeftijd, echter verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die los daarvan een onrechtmatige daad opleveren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken