Hof 's-Hertogenbosch 22 september 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8494

Belanghebbende is vanaf 14 februari 2007 houder van een motorrijtuig. Omdat belanghebbende werd uitgezonden naar Afghanistan heeft hij de geldigheid van het kentekenbewijs geschorst van 9 november 2007 tot en met 9 november 2008. Het motorrijtuig heeft hij tijdens zijn uitzending gestald bij een autoschadeherstelbedrijf om een aantal beschadigingen te laten herstellen. Vanaf 22 mei 2008 heeft belanghebbende het voertuig weer verzekerd en gebruik gemaakt van de weg. Op 29 september 2008, derhalve tijdens de periode van schorsing, is belanghebbende rijdend met het voertuig geconstateerd. Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig van 9 november 2007 tot 22 mei 2008 onafgebroken bij het autoschadeherstelbedrijf gestald heeft gestaan. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd over het tijdvak 23 november 2007 tot en met 22 november 2008 met een boete van 100 %. Belanghebbende bepleit een naheffingsaanslag over de periode 22 mei 2008 tot en met 22 november 2008 en bestrijdt de boete. Het Hof oordeelt dat de fictie van artikel 35, lid 2 van de MRB die geen tegenbewijsregeling kent niet proportioneel is en derhalve niet gerechtvaardigd. Het volledig ontbreken van een tegenbewijsregeling acht het Hof een inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Met betrekking tot de boete oordeelt het Hof dat nu artikel 35 een fictie kent die als basis dient voor de naheffing, de naheffingsaanslag geen compensatie is voor de ten onrechte niet betaalde belasting en dat met betrekking tot de boete dus niet gezegd kan worden dat het aan belanghebbende te wijten is dat de belasting niet is betaald. De boete is, naar het oordeel van het Hof dan ook ten onrechte opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen