Hof 's-Hertogenbosch 22 september 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6728
Belanghebbende is vanaf 29 september 2007 houder van een motorrijtuig. De geldigheid van het kentekenbewijs was geschorst van 27 mei 2008 tot en met 15 januari 2009. Op 12 januari 2009 is geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de openbare weg. Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig van 27 mei 2008 tot en met 23 oktober 2008 onafgebroken geparkeerd heeft gestaan in een privéhal en dat belanghebbende zich vanaf 24 oktober met het voertuig op de openbare weg heeft begeven. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd over het tijdvak 27 mei 2008 tot en met 15 januari 2009 met een boete van 100 %. Belanghebbende bepleit een naheffingsaanslag over de periode 24 oktober 2008 tot en met 15 januari 2009 en bestrijdt de boete. Het Hof oordeelt dat de fictie van artikel 35, lid 2 van de MRB die geen tegenbewijsregeling kent niet proportioneel is en derhalve niet gerechtvaardigd. Het volledig ontbreken van een tegenbewijsregeling acht het Hof een inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Met betrekking tot de boete oordeelt het Hof dat nu artikel 35 een fictie kent die als basis dient voor de naheffing, de naheffingsaanslag geen compensatie is voor de ten onrechte niet betaalde belasting en dat met betrekking tot de boete dus niet gezegd kan worden dat het aan belanghebbende te wijten is dat de belasting niet is betaald. De boete is, naar het oordeel van het Hof dan ook ten onrechte opgelegd. Hoger beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl