Hof 's-Hertogenbosch 25 maart 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9035
Belanghebbende is enig aandeelhouder van een bv en staat als borg verbonden tot nakoming van de verbintenissen van de bv jegens de bank. De bv is in 2007 in staat van faillissement verklaard. Belanghebbende is als borg door de bank aangesproken voor € 100.000. In geschil is of belanghebbende in verband met de borgtocht voor 2007 een negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking mag nemen. Partijen zijn eenparig van mening dat de vordering die belanghebbende als borg heeft op de bv, een vordering is als bedoeld in art. 3.92, lid 2, aanhef en onderdeel a, onder 1, Wet IB 2001. Zij verschillen van mening over het antwoord op de vraag vanaf welk moment het resultaat uit overige werkzaamheden van toepassing is. Belanghebbende vindt dat daarvan sprake is op het moment van het overeenkomen van de borgtocht, aangezien de borg op dat moment een regresvordering op de hoofdschuldenaar verkrijgt. De inspecteur is van mening dat daarvan pas sprake is vanaf het moment waarop de borg door de schuldeiser wordt aangesproken. In dat geval kan belanghebbende op dat moment geen negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking nemen. Het hof volgt belanghebbende. De regresvordering uit borgtocht ontstaat civielrechtelijk op het moment waarop de borgtocht wordt overeengekomen. Er is op dat moment sprake van een bestaande vordering onder de opschortende voorwaarde van betaling door de borg. Art. 3.92 Wet IB 2001 is derhalve vanaf het moment van overeenkomen van de borgtocht van toepassing. De wetshistorie noch de jurisprudentie van de Hoge Raad noch het systeem van de Wet verzetten zich hiertegen, aldus het hof. Dit brengt met zich dat de borg op het moment van het sluiten van de borgtocht de op dat moment ontstane voorwaardelijke regresvordering, alsmede de schuld aan de schuldeiser, voor de waarde in het economische verkeer op de openingsbalans dient te verantwoorden. Waardemutaties nadien maken dan deel uit van het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Tussen partijen is niet in geschil dat het aan het onderhavige jaar toe te rekenen verlies dat in verband met de borgtocht, gezien het faillissement van de bv, is geleden, € 25.000 bedraagt. Het gelijk is aan belanghebbende. (Hoger beroep gegrond.)
De uitspraak op rechtspraak.nl