Hof 's-Hertogenbosch 25 maart 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9030
In 2001 is de echtgenote van belanghebbende overleden. Belanghebbende is voor één/duizendste deel tot erfgenaam benoemd en zijn zoon voor het restant. Het testament bevat voorts een ouderlijke boedelverdeling en een vruchtgebruiklegaat ten behoeve van belanghebbende. De zoon van belanghebbende heeft tegen de aan hem opgelegde aanslag bezwaar gemaakt en zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende het recht van vruchtgebruik heeft van de onderbedelingsvordering die de zoon op belanghebbende heeft. Uiteindelijk wordt in 2009 het bezwaar van de zoon gegrond verklaard en diens aanslag verminderd. In dat verband heeft de inspecteur op grond van art. 52 SW een navorderingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. Het hof oordeelt dat deze binnen de wettelijke termijn is opgelegd, nu die termijn pas is gaan lopen nadat de aanslag van de zoon is verminderd. Voorts verwerpt het hof het standpunt van belanghebbende dat, als gevolg van de lange termijn die verliep tussen het moment van opleggen van de aanslag aan de zoon en het moment van opleggen van de navorderingsaanslag aan belanghebbende, bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de inspecteur zich met de aangifte kon verenigen dan wel definitief afzag van correcties. De inspecteur heeft op geen enkel moment een dergelijke indruk gewekt en voorts blijkt uit correspondentie dat ook bij belanghebbende het besef leefde dat een navorderingsaanslag zou worden opgelegd. Van gewekt vertrouwen is dan ook geen sprake. Het gelijk is aan de inspecteur. (Hoger beroep ongegrond.)
De uitspraak op rechtspraak.nl