Hof 's-Hertogenbosch 28 januari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ3628

Belanghebbende heeft in 1989 de woning van zijn ouders gekocht onder bezwaar van het levenslang zakelijk recht van gebruik en bewoning ten behoeve van zijn ouders. In de notariële akte is opgenomen dat alle onderhoudskosten, zakelijke lasten en belastingen van de woning voor rekening van de ouders komen zolang het zakelijk recht van gebruik en bewoning voortduurt. Belanghebbende heeft evenwel alle kosten en lasten voor zijn rekening genomen. De vader van belanghebbende is in juli 2002 overleden. In geschil is of de woning kan worden aangemerkt als een eigen woning in de zin van art. 3.111 Wet IB 2001. Het hof oordeelt dat is voldaan aan de voorwaarde dat de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat aan personen die behoren tot één huishouden. Belanghebbende, vader tot zijn overlijden, en moeder behoren tot één huishouden. Voor de kwalificatie als eigen woning geldt tevens de voorwaarde dat belanghebbende of zijn partner de voordelen van de woning geniet, de kosten en lasten op een van hen drukken en de waardeverandering hen grotendeels aangaat. Niet in geschil is dat belanghebbende de voordelen van de woning geniet en dat de waardeverandering hem grotendeels aangaat. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de kosten en lasten op hem drukken. Gelet op de bepalingen in de notariële akte en tevens gelet op bepalingen in het BW, ingevolge welke bepaalde kosten en lasten dwingendrechtelijk voor rekening van de vruchtgebruikers komen, heeft belanghebbende aldus een verhaalsrecht op vader, tot diens overlijden, en op moeder. Nu belanghebbende en moeder in het onderhavige jaar niet kunnen opteren voor fiscaal partnerschap en de kosten en lasten niet op belanghebbende drukken, kan de eigenwoningregeling geen toepassing vinden. Het gelijk is aan de inspecteur.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen