Hof 's-Hertogenbosch 26 april 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2593
Kort geding. Overgang van concessie in de zin van de Wet personenvervoer (Wpv). Als uitgangspunt heeft te gelden dat de in de artikelen 36 e.v. Wpv neergelegde bijzondere regeling ertoe strekt (een substantieel deel van) de arbeidsovereenkomsten, die bestonden op het tijdstip van overgang van de concessie - in casu 12 december 2010 -, te beschermen door deze contracten te respecteren en van rechtswege mee over te laten gaan naar de nieuwe concessiehouder. Daarbij gaat het allereerst om arbeidsplaatsen die direct of indirect herleidbaar zijn tot de concessie. Artikel 37 lid 4 Wpv bepaalt dat indien toepassing van het eerste lid leidt tot overgang van een arbeidsplaats die niet herleidbaar is tot een individu, de selectie van personeel volgens de regels van het Ontslagbesluit moet plaats vinden. Uit het voorgaande vloeit voort dat bij een verlies van een concessie de werkgever wel aannemelijk moet maken dat de arbeidsplaats(en) in kwestie op grond van de concessieovergang dient (dienen) te vervallen. De werkgever heeft bij die selectie een zekere mate van beleidsvrijheid. De tekst noch de wetsgeschiedenis van de Wpv stelt daarbij de eis dat de daarmee gemoeide werkzaamheden geheel of grotendeels ten behoeve van het overgegane concessiegebied werden verricht. Voldoende is dat een deel van de werkzaamheden betrekking heeft op het overgegane concessiegebied. Enige betrokkenheid bij de concessie is derhalve al voldoende om te kunnen kwalificeren als indirecte medewerker, waarvan de werkzaamheden als gevolg van de concessieovergang komen te vervallen. Van een bijzondere causaliteit tussen het vervallen van deze werkzaamheden en de concessieovergang (in geval van unieke functies) behoeft geen sprake te zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl