Hof 's-Hertogenbosch 7 januari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BP0091
Veroordeling verdachte wegens onrechtmatig verblijf in Nederland. Er is niet aannemelijk geworden dat verdachte alles in het werk heeft gesteld om aan de in artikel 61 van de Vreemdelingenwet gestelde verplichting te voldoen. Op die grond worden de verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en niet-strafbaarheid van verdachte wegens overmacht verworpen. Verwerping verweer onrechtmatig binnentreden nu er op basis van de ongewenstverklaring en het feit dat verdachte nog in Nederland verbleef, een verdenking bestond op grond waarvan de buitengewoon opsporingsambtenaar op grond van artikel 53, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 juncto artikel 4 van de Algemene wet op het binnentreden, de woning van verdachte mocht binnentreden.
De uitspraak op rechtspraak.nl