Hof 's-Hertogenbosch 23 december 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ1366
De rechtbank heeft in deze WOZ-zaak geoordeeld dat noch de heffingsambtenaar, noch belanghebbende de door hen verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt en de zaak teruggewezen naar de heffingsambtenaar. Hangende het door belanghebbende ingestelde hoger beroep geeft de heffingsambtenaar uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank en doet opnieuw uitspraak op bezwaar. Het hof vernietigt deze nieuwe uitspraak van de heffingsambtenaar gelet op de schorsende werking van art. 27h, lid 5, AWR. Voorts oordeelt het hof dat de rechtbank ten onrechte de zaak heeft teruggewezen naar de heffingsambtenaar. Daar waar noch de heffingsambtenaar noch belanghebbende er in slagen de door hen verdedigde waarde voldoende aannemelijk te maken, dient de rechter zelf te komen tot een vaststelling van de waarde. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval afgeweken zou moeten worden van dit uitgangspunt zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank had derhalve zelf in de zaak moeten voorzien. Vervolgens doet het hof wat de rechtbank had behoren te doen: het beoordelen en zonodig opnieuw vaststellen van de waarde van de onroerende zaak. Het hof overweegt dat de heffingsambtenaar, op wie de bewijslast rust, er niet in is geslaagd de door hem verdedigde waarde aannemelijk te maken. Ook belanghebbende maakt volgens het hof de door hem verdedigde waarde niet aannemelijk. Het hof stelt vervolgens de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vast op € 190.000.
De uitspraak op rechtspraak.nl