Hof 's-Hertogenbosch 2 december 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP7305

Belanghebbende heeft in 1998 Nederland verlaten en zich laten inschrijven in Duitsland. In 2006 is zij weer teruggekeerd naar Nederland en heeft de samenwoning met haar echtgenoot en kinderen hervat. Belanghebbende bezit tezamen met haar echtgenoot alle aandelen in een besloten vennootschap, ook gedurende de periode 1998 t/m 2006 en zij bekleedt de functie van directeur/werknemer. In 2006 heeft belanghebbende verzocht om vrijstelling van BPM voor een viertal voertuigen die zij invoerde van Duitsland naar Nederland. Het Hof oordeelt dat er geen strijd is met de artikelen 23 ,25 en 90 van het EG-verdrag en vindt het evenmin nodig om een prejudiciële vraag te stellen. Het Hof leidt uit de feiten af dat de normale verblijfplaats van belanghebbende gedurende de gehele periode 1998-2006 in Nederland is gebleven en dat belanghebbende dus geen recht heeft op de vrijstelling. Hoger beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen