Hof 's-Hertogenbosch 22 oktober 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO6870
Belanghebbende heeft tegen betaling van fl. 1.673.160,- een woning met bedrijfsgebouwen en ruim drie hectare grond verkregen. De levering maakte deel uit van een vrijwillige kavelruil en in de notariële akte wordt een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, sub 1 Wet Belastingen van Rechtsverkeer. De Dienst Landelijk Gebied heeft een verklaring afgegeven waarbij werd ingestemd met de betreffende kavelruil; in deze verklaring stelt de Dienst dat de overdracht van gebouwen geen deel uitmaakt van de door het Rijk gesubsidieerde kavelruilovereenkomst. De Inspecteur heeft ter zake van de verkrijging van de onroerende zaken een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd. De rechtbank heeft de aanslag vernietigd omdat de in het geschil zijnde verkrijging deel uitmaakt van een kavelruil bij overeenkomst en er, anders dan de Inspecteur stelt , dus geen sprake is van een normale koop van onroerende zaken. Dat er opstallen staan op de betreffende kavels vindt de rechtbank geen reden om de vrijstelling niet van toepassing te verklaren. Het Hof sluit zich bij de overwegingen van de rechtbank aan. Het Hof oordeelt vervolgens nog dat hij de visie van de Inspecteur dat gebouwen moeten worden uitgezonderd van de ruilverkavelingsovereenkomst niet kan volgen; het Hof verwijst naar de in de Landinrichtingswet gebezigde term "onroerende zaken", waaronder ook gebouwen vallen. Het feit dat belanghebbende slechts geld en geen onroerende zaken heeft ingebracht is naar het oordeel van het Hof evenmin een belemmering om de vrijstelling deelachtig te worden. Tenslotte refereert het Hof nog aan de nieuwe Wet inrichting landelijk gebied en vindt ook daarin een bevestiging van zijn standpunt dat ook opstallen de vrijstelling deelachtig kunnen worden. Hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl