Hof 's-Hertogenbosch 7 oktober 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN9659

Van belanghebbende is voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart en een rijbewijs een bedrag aan leges geheven. Heffing vindt plaats op grond van de gemeentelijke legesverordening, waarin staat dat rechten worden geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten. Belanghebbende bestrijdt de legesheffing ter zake van het identiteitsbewijs omdat aan het verkrijgen daarvan geen individueel belang ten grondslag ligt. Het Hof oordeelt aan de hand van de parlementaire geschiedenis van de Wet op de identificatieplicht en de Wet op de uitgebreide identificatieplicht dat het publieke belang van een Nederlandse identificatiekaart zozeer is gaan overheersen dat het individuele belang bij het bezit daarvan van ondergeschikte betekenis is. Het Hof overweegt verder dat het woord "diensten" in de verordening kennelijk in dezelfde zin wordt gebruikt als in artikel 229 van de Gemeentewet en dat brengt naar het oordeel van het Hof mee dat slechts leges kunnen worden geheven als het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Het Hof acht dat bij een identiteitsbewijs niet het geval, maar wel bij een rijbewijs. De leges voor het identiteitsbewijs vervallen, die van het rijbewijs blijven gehandhaafd. Het hoger beroep is gegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen