Hof 's-Hertogenbosch 18 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN3971
Belanghebbende woont in België en geniet in de onderhavige jaren zijn gehele wereldinkomen in Nederland. Belanghebbende heeft een verzoek gedaan tot middeling over de jaren 2001 tot en met 2003. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende daar op grond van de wet geen recht op heeft omdat hij voor de jaren 2001 en 2002 niet heeft gekozen voor de behandeling als binnenlands belastingplichtige. Ook op grond van het Schumacker-arrest kan geen middelingsteruggaaf worden gegeven omdat het volgens de rechtbank in het onderhavige geval geen persoonsgebonden aftrekpost betreft. Voorts acht de rechtbank de in art. 2.5 Wet IB 2001 opgenomen voorwaarde proportioneel en niet in strijd met Europees recht. Het hof is het niet eens met deze oordelen van de rechtbank. Volgens het hof wordt de draagkracht van een niet-ingezetene die nagenoeg zijn gehele wereldinkomen in de werkstaat verdient niet alleen door persoonsgebonden aftrekposten bepaald, maar ook door andere elementen (vgl. arrest Renneberg), zoals in het onderhavige geval het feit dat de inkomens van belanghebbende in achtereenvolgende jaren sterk fluctueren. Belanghebbende heeft recht op toepassing van de middelingsregeling. Dat hij in twee van de drie jaren niet heeft gekozen voor de behandeling als binnenlands belastingplichtige staat daar volgens het hof niet aan in de weg. Het hof onderschrijft op dat punt de conclusie van AG Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Gielen dat art. 43 EG zich verzet tegen een nationale regeling die leidt tot discriminatie van niet-ingezetenen, ook indien de buitenlandse belastingplichtige de mogelijkheid heeft gehad ervoor te kiezen behandeld te worden als een binnenlandse belastingplichtige, maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl