Hof 's-Hertogenbosch 18 maart 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM5919
Belanghebbende is een opleidingscentrum dat middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie verzorgt. In alle elf door haar geëxploiteerde schoolgebouwen bevindt zich een kantine waarin tegen betaling spijzen en dranken worden verstrekt aan personeelsleden en leerlingen. In het algemeen worden de kantines zowel gebruikt voor het (omzetbelasting belast) verstrekken van spijzen en dranken als voor het (vrijgesteld van omzetbelasting) verstrekken van onderwijs of daaraan gerelateerde prestaties. In geschil is de berekening van de aftrekbare voorbelasting op de algemene kosten van de school. Met betrekking tot de vraag of belanghebbende ter zake van het verrichten van onderwijs economische activiteiten verricht in de zin van de Btw-richtlijn (tegen een vergoeding) is het hof het met de rechtbank eens dat de overheidssubsidie die belanghebbende ontvangt niet kan worden aangemerkt als een vergoeding in de zin van de omzetbelasting. Het hof volgt de rechtbank evenwel niet in het oordeel dat het schoolgeld dat belanghebbende op grond van de Les- en cursusgeldwet ontvangt als een vergoeding in de zin van de omzetbelasting kan worden aangemerkt, nu zij de door haar geïnde lesgelden moet afdragen aan het Rijk. Uitsluitend de door belanghebbende ten aanzien van de verstrekte volwasseneneducatie ontvangen inschrijf- en examengelden zijn volgens het hof aan te merken als een vergoeding in de zin van de omzetbelasting. Dit betekent dat belanghebbende ten aanzien van middelbaar beroepsonderwijs, anders dan ten aanzien van de volwasseneneducatie, niet als ondernemer is aan te merken. Derhalve dient de aan belanghebbende in rekening gebracht omzetbelasting te worden gesplitst in een gedeelte dat betrekking heeft op haar niet-economische activiteiten (het verstrekken van middelbaar beroepsonderwijs) en in een gedeelte dat betrekking heeft op haar overige activiteiten. Een berekening pro rata is daarvoor het meest geëigend.
De uitspraak op rechtspraak.nl