Hof 's-Hertogenbosch 12 maart 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM4406

Belanghebbende genoot in het jaar 2003 geen inkomsten uit werk en woning. Het inkomen van haar echtgenoot bestond voor een groot deel uit loon uit Duitse dienstbetrekking en een Nederlands pensioen. Op grond van artikel 11, lid 1 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 heeft de inspecteur bij beschikking een bedrag aan buitenlands inkomen van belanghebbendes echtgenoot overgebracht van 2002 naar 2003. Op belanghebbende is voor het jaar 2003 de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing. In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur bij de aanslag terecht de teruggaaf algemene heffingskorting heeft teruggenomen en zoja of het vertrouwensbeginsel zich daartegen verzet. Het hof constateert allereerst dat de gecombineerde inkomensheffing in 2003 nihil bedraagt en dat, gelet op artikel 8:8 Wet IB 2001 belanghebbende geen recht heeft op een gecombineerde heffingskorting. Belanghebbende stelt in feite het slachtoffer te zijn van de doorschuifregeling. Het Hof oordeelt dat de doorschuifregeling er toe leidt dat de inkomstenbelasting van het onderhavige jaar wordt verminderd en dat als gevolg daarvan de gecombineerde inkomensheffing op nihil is gesteld en dus de inspecteur bij de definitieve aanslag de teruggaaf heffingskorting terecht heeft teruggenomen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel verwerpt het Hof eveneens met een verwijzing naar het arrest van 13 juni 1979, nr. 19.341 onder meer gepubliceerd in BNB 1979/212.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen