Hof 's-Hertogenbosch 29 september 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ9736

AVV c.s. vorderen een verklaring voor recht dat het Pensioenreglement van het ABP, althans de hoofdstukken 6, 7 en 16 daarvan en de daarbij behorende overgangsbepalingen nietig zijn. Volgens AVV c.s. zijn voormelde regelingen in strijd met de Wet Gelijke Behandeling bij de Arbeid (WGBL), in strijd met artikel 1 van de Grondwet en in strijd met artikel 26 Bupo-verdrag, omdat daarin volgens AVV c.s. een verboden onderscheid wordt gemaakt op grond van leeftijd. Volgens AVV c.s. dragen de ABP-deelnemers geboren na 31-12-1949 de zwaarste lasten van de overgangsregeling die door ABP is ingevoerd, waarbij de aanspraken op FPU/VUT voor de deelnemers die vóór 1-1-1950 geboren zijn in stand worden gelaten. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Het hof bekrachtigt dit vonnis onder aanvulling en verbetering van gronden. De Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/Prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL), beoogt, vanwege de maatschappelijke ontwikkelingen , het deelnemen aan het arbeidsproces tot aan de leeftijd van 65 jaar te bevorderen, door het afschaffen van de fiscale aftrekmogelijkheden van premies voor prepensioen. De overgangregeling in de wet VPL maakt een uitzondering voor de premie-aftrek voor personen geboren vóór 1-1-1950. Het pensioenreglement is op grond van het Hoofdlijnenakkoord van de sociale partners, welk akkoord een overeenkomst is in de zin van artikel 4 Wet Privatisering ABP, aangepast aan de Wet VPL. Overeenkomstig het Hoofdlijnenakkoord houden de overgangsbepalingen van het nieuwe pensioenreglement in, dat de bestaande FPU/VUT-regelingen vrijwel geheel in stand worden gelaten ten behoeve van degenen die op 1-1-2006 reeds de leeftijd van 56 jaar hadden bereikt, de 56-plussers. Aldus is door ABP optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Wet VPL bood om te voldoen aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de 56-plussers op vervroegde uittreding. Het hof oordeelt een breed maatschappelijk draagvlak aanwezig voor het aannemen van de gerechtvaardigdheid van die verwachtingen. Het hof toetst de overgangsregelingen aan artikel 7 lid 1 sub c WGBL en oordeelt dat zowel de nieuwe pensioenregeling als de daarvan deel uitmakende overgangsbepalingen een legitiem doel hebben, te weten het in navolging van de Wet VPL bevorderen van de arbeidsparticipatie, onder gelijktijdige tegemoetkoming aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de 56-plussers. De middelen tot het bereiken van dit doel zijn passend en noodzakelijk. Het nieuwe pensioenreglement is noch in strijd met de WGBL, noch met artikel 26 Bupo-verdrag, noch met artikel 1 van de Grondwet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen