Hof 's-Hertogenbosch 14 juli 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ4646

Dat dit in het onderhavige geval moet leiden tot het - buiten de grenzen van de rechtsstrijd - ambtshalve vernietigen van het beroepen verzetvonnis van 14 november 2007 en het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van het verzet, lijkt afgeleid te moeten worden uit het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1969, NJ 1970, 10, LJN AC4950. In die zaak werd tegen een door de rechtbank op een verzoekschrift gegeven beschikking verzet ingesteld, waarna de rechtbank bij beschikking op het verzet haar eerste (verstek)beschikking bekrachtigde. Op hoger beroep van de gerekwestreerden heeft het hof de beide beschikkingen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gerekwestreerden verklaard tot goed opposanten en verzoekers alsnog niet-ontvankelijk verklaard in hun oorspronkelijke verzoek, op de grond dat zij daartoe niet de verzoekschriftprocedure maar de dagvaardingsprocedure hadden moeten volgen. In cassatie werd door de oorspronkelijke verzoekers aangevoerd dat het hof in hoger beroep ambtshalve had moeten vaststellen dat verzet tegen de eerste (verstek)beschikking niet-ontvankelijk was omdat verzet tegen beschikkingen niet mogelijk is. De Hoge Raad heeft deze cassatieklacht gehonoreerd en, zelf ten principale rechtdoende, de beschikking op het verzet vernietigd en gerekwestreerden alsnog niet-ontvankelijk verklaard in hun verzet tegen de eerste (verstek)beschikking.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen