Hof 's-Hertogenbosch 27 februari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BI3113

Belanghebbende is vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats (agp) voor minerale oliën. Om voor het verlaagde accijnstarief voor gasolie in aanmerking te komen moet aan de gasolie als herkenningsmiddel tussen de 6 en 9 gram Solvent Yellow 124 per 1000 liter zijn toegevoegd. De inspecteur heeft in 2004 een controle uitgevoerd bij belanghebbende. Het Douane Laboratorium heeft de genomen monsters geanalyseerd en geconcludeerd dat er te weinig Solvent Yellow in de gasolie aanwezig was. Op basis daarvan heeft de inspecteur naheffingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd. Het hof stelt voorop dat de bewijslast dat de binnen de agp opgeslagen minerale olie voldoende herkenningsmiddelen bevat voor laagbelaste doeleinden, in beginsel bij belanghebbende ligt. Vervolgens stelt het hof vast dat de Minister van Financiën, ondanks het bepaalde in art. 84, lid 2, van de Wacc, geen nadere regels heeft gesteld omtrent het nemen van monsters. Deze omstandigheid heeft naar het oordeel van het hof gevolgen voor de zwaarte van de op belanghebbende rustende bewijslast, nu het ontbreken van zodanige regels de rechtspositie van accijnsplichtigen verzwakt. Belanghebbende heeft omstandig naar voren gebracht dat monsters op verschillende wijzen kunnen worden getest op hun gehalte aan herkenningsmiddel, dat verschillende testmethoden tot verschillende resultaten kunnen leiden en dat ook bij het bezigen van dezelfde methode door verschillende laboratoria verschillende resultaten worden bevonden. Belanghebbende is volgens het hof dan ook in een onmogelijke bewijspositie komen te verkeren, hetgeen in strijd is met het beginsel van fair play. De testresultaten stelt het hof terzijde. Daarmee komt de grondslag aan de naheffingsaanslagen te ontvallen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen