Hof 's-Hertogenbosch 27 januari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2041
Art. 12 Wetboek van Strafvordering; art. 45, 302 Sr., art. 5 WVW 1994 Het hof is van oordeel dat van de beklaagden onder de gegeven omstandigheden, werkzaam in het kader van de uitvoering van hun publieke taak als politieagent – meer in het bijzonder de opsporing van een strafbaar feit – een strikte naleving van het bepaalde in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 niet steeds mag worden gevergd. Beklaagden hebben, toen klager zich aan zijn aanhouding wilde onttrekken, op goede gronden kunnen besluiten hem te volgen teneinde hem aan te houden. Naar ’s hofs oordeel hebben beklaagden in redelijkheid kunnen besluiten klager als verdachte aan te houden. Zij hebben voorts bij het tot stilstand brengen van klager teneinde hem aan te kunnen houden – door weloverwogen en met inachtneming van de nodige voorzichtigheid de fiets van klager met het dienstvoertuig licht aan te tikken – het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel in voldoende mate in acht genomen. Naar het oordeel van het hof zijn beklaagden derhalve niet strafbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl