Hof 's-Hertogenbosch 14 november 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BH3061

Belanghebbende heeft bij akte van 12 april 2002 het woonhuis van zijn schoonvader geleverd gekregen. Van de koopsom werd een gedeelte door de schoonvader kwijtgescholden en zij spraken af dat schoonvader het feitelijke woongenot zou behouden. Ter zake van deze levering werd overdrachtsbelasting afgedragen. De schoonvader had op het moment van aangaan van de verkoopovereenkomst een aanzienlijke schuld aan E. E zag haar verhaalsmogelijkheden verminderen en heeft daarom een procedure op grond van art. 3:45 BW (actio Pauliana) ingezet. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en de verkoopovereenkomst vernietigd. In 2004 is het woonhuis door belanghebbende verkocht aan F. In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van overdrachtsbelasting op grond van art. 19 WBR. Het hof overweegt dat vernietiging op grond van paulianeus handelen slechts relatief effect heeft. Aan de schuldeiser wordt de bevoegdheid gegeven te handelen alsof de betreffende rechtshandeling niet was gesteld. Ten aanzien van alle anderen blijven de rechtsgevolgen van de aangetaste handeling overeind. Derhalve is belanghebbende, ook na het vonnis van de rechtbank, eigenaar van de woning gebleven. Weliswaar staat in het vonnis van de rechtbank opgenomen dat de eigendom steeds bij schoonvader is gebleven en de verkoopovereenkomst absoluut nietig is, maar daar kan belanghebbende zich niet op beroepen nu hij niet conform zijn visie op het vonnis van de rechtbank heeft gehandeld. Hij heeft immers zelf de woning aan F verkocht. In de akte wordt belanghebbende als verkoper en eigenaar aangeduid en als de persoon die levert. Derhalve heeft belanghebbende op het punt van de absolute nietigheid niet vertrouwd op de juistheid van de bewoordingen in het vonnis van de rechtbank. (Hoger beroep ongegrond.)

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen