Hof 's-Hertogenbosch 31 oktober 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BH0229
Belanghebbende is opgericht op 30 maart 2000. De oprichter bracht daarbij alle activa en passiva van de door hem gedreven pluimveehouderij in, waaronder een woning. Belanghebbende heeft ter zake van deze inbreng een beroep gedaan op de vrijstelling van art. 15, lid 1, letter e, van de WBR. Later dat jaar heeft belanghebbende haar pluimveebedrijf gestaakt en werd niet meer voldaan aan de 'voortzettingseis' van drie jaar. De inspecteur heeft volgens het hof daarom terecht nageheven. Niet van belang is of belanghebbende het ingebrachte bedrijf nadien nog wilde voortzetten op een andere locatie. De maatstaf van heffing is volgens het hof door de rechtbank en de inspecteur te laag vastgesteld, zodat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is. De opgelegde vergrijpboete moet vervallen omdat de inspecteur belanghebbende voor het eerst in hoger beroep verwijt dat hij op het moment van staking niet alsnog de verschuldigde belasting heeft betaald. Daarmee switcht hij van vergrijp- naar verzuimboete en dat is in strijd met § 5 van het BBBB.
De uitspraak op rechtspraak.nl