Hof 's-Hertogenbosch 3 oktober 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BH0218

Belanghebbende vormt met haar drie dochtermaatschappijen een fiscale eenheid. Per 1 januari 2002 is dochter C ontvoegd uit de fiscale eenheid en zij is in mei 2002 in staat van faillissement komen te verkeren. Dochter A is per maart 2001 een huurovereenkomst aangegaan ter zake van een bedrijfsruimte en heeft deze vervolgens onderverhuurd aan C. C is de huurpenningen schuldig gebleven aan A. A heeft haar vordering op C afgewaardeerd, maar de inspecteur heeft deze afwaardering gecorrigeerd. De inspecteur betwist de zakelijkheid van de huurovereenkomst. Het hof oordeelt dat het feit dat in 2001 alle huurtermijnen onbetaald zijn gebleven niet tot de conclusie leidt dat sprake is van een onzakelijke verhouding met betrekking tot de hieruit voortvloeiende vordering van A. Bovendien was het eigen vermogen van C per ultimo 2001 voldoende om al haar schulden en verplichtingen te voldoen. Om deze reden heeft de inspecteur ook niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfswaarde van de vordering per aanvang van het boekjaar lager is dan de nominale waarde daarvan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen