Hof 's-Hertogenbosch 7 november 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BG3906

Art. 2 en 8 Pw 1993, art. 2 en 9 Awbi, art. 9 OW. Binnentreden in woning op twee momenten. 1. De verbalisanten 1 en 2 waren bevoegd om - zonder toestemming van verdachte en zonder machtiging tot binnentreden - de woning van verdachte te betreden, nu op grond van de bevindingen van deze verbalisanten bij hen het vermoeden heeft kunnen ontstaan dat in de woning van verdachte was of werd ingebroken, zodat zij op grond van het bepaalde in de artikelen 2 en 8, tweede lid, van de Politiewet 1993 bevoegd waren die woning te betreden in het (vermeende) belang van de bewoner. Gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Algemene wet op het binnentreden en de bij die bepaling behorende memorie van toelichting was een schriftelijke machtiging daarvoor niet vereist. 2. Op grond van de waarnemingen van de verbalisanten 1 en 2 in de woning van verdachte kon redelijkerwijze worden vermoed dat daar een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd. Nu de verbalisanten 3 en 4 de woning van verdachte vervolgens zijn binnengetreden krachtens een schriftelijke machtiging, waren zij bevoegd tot het binnentreden van die woning en tot het vervolgens openbreken van de deuren op de eerste verdieping en op de zolderverdieping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen