Hof 's-Hertogenbosch 7 augustus 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BF9940

Belanghebbende oefent een taxibedrijf uit. In 2003 heeft hij een auto gekocht uit het faillissement van een ander bedrijf. Ter zake is hem een teruggaaf BPM verleend. In 2004 is een bod gedaan op de taxi. Omdat hij diezelfde dag nog dient te beslissen, neemt belanghebbende contact op met de belastingdienst. Omdat bij het competente belastingkantoor op dat moment geen BPM-specialist aanwezig was, heeft hij telefonisch contact opgenomen met de heer B, een BPM-specialist, van een ander belastingkantoor. Naar aanleiding van de door die inspecteur gedane mededelingen, gaat belanghebbende in op het bod en verkoopt de taxi. Vervolgens is aan hem een naheffingsaanslag BPM opgelegd waarbij de verleende teruggaaf gedeeltelijk is teruggevorderd. Op basis van de uitvoerige verklaringen van belanghebbende aangaande het telefoongesprek met de heer B oordeelt het hof dat bij belanghebbende vertrouwen is gewekt dat ter zake van de verkoop van de taxi geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De inspecteur heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Ook is volgens het hof geen sprake van een situatie dat de standpuntbepaling zozeer in strijd is met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende niet erop mocht rekenen dat de inspecteur dienovereenkomstig zou handelen. De naheffingsaanslag dient dan ook te worden vernietigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl