Hof 's-Hertogenbosch 17 juli 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1759
. Gelet op de stukken van het geding heeft belanghebbende niet gesteld en is ook niet gebleken dat sprake is van een valse verklaring of bedrog, dan wel van het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit als bedoeld in meergenoemd artikel 14. Van intrekking als bedoeld in dat artikel kan dan naar het oordeel van het hof ook geen sprake zijn. Het hof overweegt daarbij dat blijkens de afdruk van de verklaring van het ministerie van Buitenlandse Zaken de personalia en de positie van belanghebbende en de argumenten inzake de verkrijging bekend zijn. Blijkens de afdruk van bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de autoriteit is gelet op de door of namens belanghebbende overgelegde stukken. Een en ander is ook in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het Besluit. Zonodig dient de autoriteit ook nog te vragen om de overige gegevens die naar haar oordeel nodig zijn voor de beoordeling van het geval. Het hof merkt daarbij nog op dat de vraag of de status van belanghebbende er één is die niet voorzien is in de Vreemdelingenwet 2000 niet van belang is. Overigens meent het hof dat in de situatie van belanghebbende wel sprake is van toelating als bedoeld artikel 6, eerste lid, onderdeel g, van de Rijkswet.
De uitspraak op rechtspraak.nl