Hof 's-Hertogenbosch 19 juni 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0036
Ingevolge artikel 3, aanhef, onderdeel b, ten tweede en onderdeel c, ten tweede van de Wet MRB is een auto met een laadruimte die van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand over ten minste de gehele breedte van de cabine geen personenauto als deze wand (hiervoor en hierna ook wel genoemd: scheidingswand) direct achter deze zitplaats is aangebracht. Indien deze wand bij een auto zonder dubbele cabine, zoals de onderhavige auto, niet verder dan 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel is geplaatst, is ingevolge artikel 3, tweede lid van de Wet MRB in samenhang met artikel 3, achtste lid van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 voldaan aan de in de hiervoor genoemde onderdelen van artikel 3 van de Wet MRB genoemde eis dat de scheidingswand direct achter de bestuurderszitplaats is aangebracht. Vaststaat dat in de auto de scheidingswand 112 cm achter het achterste punt van het stuurwiel is geplaatst. Hieruit volgt dat - gelet op artikel 3, achtste lid van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 - de scheidingswand geacht wordt direct achter de bestuurderszitplaats te zijn aangebracht. Op grond hiervan is de auto uitgezonderd van het begrip personenauto. Anders dan de Inspecteur verdedigt, is niet van belang dat, zoals de Inspecteur stelt en belanghebbende betwist, tussen de scheidingswand en de bestuurderszitplaats op de gereedschapskist zich zitplaatsen bevinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl