Hof 's-Hertogenbosch 13 mei 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5810

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.6. van het vonnis van 30 maart 2005 geoordeeld dat er sprake is van consumentenkoop. [appellante] heeft gesteld dat het door haar geëxploiteerde [bedrijf 1] zich bezig houdt met het opfokken van paarden met de daarbij noodzakelijke trainingen voor fokkerij en sport. De bedrijfsactiviteiten van [appellante] zijn volgens haar niet gericht op de verkoop van paarden. In de toelichting op grief I betoogt [appellante] dat zij zich niet bedrijfsmatig bezig houdt met de verkoop van paarden. Het enkele feit dat zij incidenteel een paard verkoopt, maakt haar niet tot een paardenhandelaar, aldus [appellante]. Het hof volgt [appellante] hierin niet. Beslissend is niet of de bedrijfsactiviteiten van [appellante] zich in hoofdzaak richten op het opfokken van paarden en niet op de verkoop daarvan. Bepalend is of de verkoop van Pubertha aan [geïntimeerde] is geschied in het kader van het bedrijf van [appellante]. Op dit punt overweegt het hof als volgt. De advertentie op het Internet was gesteld op naam van [bedrijf 1] (r.o. 4.1. onder a), de eenmanszaak van [appellante]. [echtgenoot appellante] heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen verklaard dat "ons bedrijf" [bedoeld is: het [bedrijf 1] van [appellante]; toev. hof] zo'n 30 à 40 paarden binnen heeft staan, waarvan enkele merries die ieder jaar een veulen krijgen waarvan sommige worden verkocht. [appellante] bood met enige regelmaat onder haar bedrijfsnaam paarden te koop aan op het Internet. Dit alles leidt het hof tot de conclusie dat de verkoop van Pubertha aan [geïntimeerde] is geschied in het kader van het bedrijf van [appellante].

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen