Hof 's-Hertogenbosch 8 april 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5028
Op grond van hetgeen onder de feiten is vermeld, in onderling verband en samenhang bezien, acht het Hof voldoende aannemelijk dat belanghebbende in het tijdvak waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft economische activiteiten in de sub 4.3 bedoelde zin heeft verricht, ook indien de verhuur aan de heer E buiten beschouwing zou worden gelaten. Dat de kring van huurders voornamelijk bestaat uit familie, vrienden en kennissen, doet aan dit oordeel niet af, evenmin als de stelling van de Inspecteur dat verhuur tegen "gereduceerde" tarieven plaatsvond, welke stelling de Inspecteur overigens niet heeft gespecificeerd. Gelet op de aard van de dienstverrichting en de omstandigheid dat belanghebbende in 1999 de recreatiebungalow heeft verworven, is met een (aanvangende) verhuur als zich hier voordoet de stelling van belanghebbende dat zij in dat jaar ondernemer in de zin van de Wet was, met voldoende objectieve gegevens ondersteund. Het Hof merkt in dit verband op dat de resultaten van de onderhavige activiteit in beginsel niet geschikt zijn om te bepalen of sprake is van een activiteit welke erop is gericht duurzaam opbrengsten te verrichten. Weliswaar mogen de omstandigheden van het concrete geval - zoals de werkelijke verhuur van de zaak, de omvang van de cliëntèle en het bedrag van de opbrengsten - mede in de beschouwingen worden betrokken (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 26 september 1996, Renate Enkler, C-230/94, V-N 1997, blz. 653, punt 22), maar gelet op de aard van de dienstverrichting en de omstandigheid dat het om het aanvangsjaar van de activiteiten van belanghebbende gaat, kunnen deze factoren het Hof niet tot een ander oordeel brengen.
De uitspraak op rechtspraak.nl