Hof 's-Hertogenbosch 15 april 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD2950
Belanghebbende en de Inspecteur houdt dan nog verdeeld de vraag of de in België over de aldaar gelegen eigen woning geheven onroerende voorheffing ten bedrage van € 936,= op het inkomen uit werk en woning in Nederland in mindering kan worden gebracht, dan wel anderszins met deze dubbele belasting rekening moet worden gehouden. Artikel 3.120, lid 1, van de Wet luidt als volgt: [..] De Wet laat aldus niet toe, dat de onroerende voorheffing als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning in mindering wordt gebracht. Dit is naar het oordeel van het Hof echter niet in overeenstemming met het direct werkende gemeenschapsrecht betreffende het vrije verkeer van personen. Het is waar dat Nederland, door de invoering van artikel 2.5 van de Wet, heeft getracht te voldoen aan de onder 2.5 genoemde "Schumacker" jurisprudentie van het HvJ EG. Daarin werd in hoofdzaak bepaald dat een niet-ingezeten werknemer in de werkstaat het recht heeft om op gelijke wijze te worden belast als een ingezetene, indien hij zijn inkomen geheel of voornamelijk in de werkstaat geniet (zodat in de woonstaat met zijn persoonlijke en gezinssituatie geen rekening gehouden kan worden). Het HvJ EG kwam tot de conclusie dat: "In het geval van een niet-ingezetene die het grootste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn gehele gezinsinkomen verwerft in een andere Lid-Staat dan de woonstaat, is de discriminatie gelegen in het feit dat met de persoonlijke en de gezinssituatie van deze niet-ingezetene noch in de woonstaat noch in de staat waarin hij werkzaam is, rekening wordt gehouden." (paragraaf 38). Echter, door de invoering van meergenoemd artikel 2.5 heeft Nederland niet alleen de aftrekpost van de hypotheekrente voor de buitenlandse belastingplichtigen geïntroduceerd, maar ook de positieve inkomsten uit eigen woning - in de vorm van het eigenwoningforfait - in de Nederlandse heffingsmaatstaf betrokken. Dit heeft tot gevolg dat naast België nu ook Nederland over het positieve element van de belastbare inkomsten uit eigen woning heft, terwijl Nederland krachtens artikel 6 van het Verdrag dat heffingsrecht niet heeft. Door bij de bepaling van de Nederlandse belasting geen rekening te houden met de in België reeds geheven belasting over hetzelfde inkomensbestanddeel, veroorzaakt Nederland aldus bij belanghebbende een last die niet ook op in Nederland ingezeten belastingbetalers in een gelijke situatie rust. In die zin wordt dus de binnenkomende grenswerknemer zwaarder belast dan zijn in Nederland ingezeten collega met wie hij op de Europese arbeidsmarkt concurreert, hetgeen door de Europese jurisprudentie wordt afgekeurd. Nu Nederland deze hogere last op grensoverschrijdend verkeer (in vergelijking met een binnenlandse situatie) door de invoering van meergenoemd artikel 2.5 heeft veroorzaakt, ligt het naar het oordeel van het Hof op de weg van Nederland deze hogere last weer weg te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl