Hof 's-Hertogenbosch 6 mei 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1648

De borgstelling van 19 augustus 1999 is destijds door [appellant] onvoorwaardelijk afgegeven. De toestemming van de echtgenote bij deze borgstelling is toen, in augustus 1999 niet van enige voorwaarde voorzien. De opmerkingen van [appellant] bij de wijzigingsovereenkomst van april 2000 kunnen niet met terugwerkende kracht de eerdere onvoorwaardelijke toestemming van de echtgenote voorwaardelijk doen worden, zodat de vraag van de al dan niet voorwaardelijke toestemming van de echtgenote daar niet meer speelt. Voor zover het betreft de tweede borgstelling, heeft hetzelfde te gelden. De toestemming van de echtgenote onderaan de borgstellingsakte, is niet van enige clausulering voorzien. Weliswaar is het hof van oordeel dat de borgstellingsakte en de wijzigingsovereenkomt bij elkaar horen, en de clausulering van [appellant] onder de wijzigingsovereenkomst ook geacht wordt betrekking te hebben op de borgstelling zelf, maar nergens blijkt uit dat de echtgenote toentertijd haar toestemming aan deze zelfde clausulering heeft onderworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen