Hof 's-Hertogenbosch 15 januari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6569

Belanghebbende stelt dat de heffing over de rente-inkomsten op grond van artikel 11, § 1, van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing van 19 oktober 1970 (Trb. 1970, 192; hierna: het Verdrag) toekomt aan België, waaraan het aan Nederland toekomende beperkte heffingsrecht in artikel 11, § 2, van het Verdrag niet afdoet. Naar het oordeel van het hof ziet belanghebbende evenwel over het hoofd dat het Verdrag alleen betrekking heeft op de belastingheffing en niet op de premieheffing voor de volksverzekeringen. Artikel 11, § 1, van het Verdrag ontneemt de rente-inkomsten ook niet het karakter van belastbaar binnenlands inkomen in de zin van het in 4.6 weergegeven artikel 8 van de WFV. Voor het geval belanghebbende ook heeft bedoeld te stellen dat de in 2.6 bedoelde lijfrente-uitkering en AOW-uitkering, verminderd met de aftrekbare kosten, op grond van het Verdrag eveneens niet tot het premie-inkomen behoren, faalt die grief op vergelijkbare gronden. Daarbij merkt het hof op dat ten aanzien van de lijfrente-uitkering en de AOW-uitkering niet in geschil is dat deze tot het belastbare binnenlandse inkomen van belanghebbende behoren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen