Hof 's-Hertogenbosch 2 januari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC1239
1. vrijspraak artikel 249, 248a, 248ter Wetboek van Strafrecht 2. veroordeling artikel 247 Wetboek van Strafrecht 3. maximale proeftijd 4. geen grondslag voor oplegging bijkomende straf ontzetting van het beroep van leraar Ad 1. Vrijspraak ten aanzien van het ten laste gelegde artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (ontucht met minderjarigen terwijl deze aan de zorg, opleiding en/of waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd) en ten aanzien van het ten laste gelegde artikel 248a/248ter (oud) van het Wetboek van Strafrecht (verleiding); Ad 2. Veroordeling ten aanzien van één slachtoffer wegens “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd”. Ad 3. Ten aanzien van de door de advocaat-generaal gevorderde proeftijd voor de duur van drie jaar, overweegt het hof - onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2007 (LJN BB3999) – dat moet worden aangenomen dat artikel 14b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bij vergissing niet is aangepast aan de nieuwe nummering van artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en dat artikel 14b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht gelezen moet worden als inhoudend dat de proeftijd in geval van onder meer een gestelde bijzondere voorwaarde, het gedrag van de veroordeelde betreffende, ten hoogste 2 jaar bedraagt. Gelet hierop is het niet mogelijk om een langere proeftijd dan 2 jaar te bepalen. Ad 4. Nu verdachte ook in hoger beroep wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde bestanddeel “aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige” van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht en hij het bewezen verklaarde feit niet in zijn beroep heeft begaan, bestaat er geen grondslag om de door de advocaat-generaal gevorderde bijkomende straf van ontzetting van het beroep van leraar op te leggen. zie ook LJN: BC1246
De uitspraak op rechtspraak.nl