Hof 's-Hertogenbosch 21 december 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BD6475
Klacht ex artikel 12 Sv.; art. 261, 262, 285 Sr. Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat enerzijds gelet op de inhoud van de brief en anderzijds gelet op de adressering van de brief aannemelijk is dat beklaagde niet de intentie heeft gehad om ruchtbaarheid aan het geschrevene te geven in de zin van artikel 261 en 262 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is het hof van oordeel dat, gelet op de hele tekst van de brief, het niet zonder meer aannemelijk is te achten dat beklaagde klager heeft willen bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht. Het hof acht het aannemelijk dat de brief is geschreven uit onvrede en/of gevoelens van machteloosheid die zich niet zelden van slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven of hun nabestaanden meester maken, emoties waarvoor in de verwerkingsfase na dergelijke delicten tot op zekere hoogte plaats moet zijn. Uit bovenstaande volgt dat, bij gebrek aan bewijs dat beklaagde de door klager bedoelde strafbare feiten heeft gepleegd, de klacht moet worden afgewezen. Op zich valt op voorhand niet uit te sluiten dat eventueel nader onderzoek zou kunnen leiden tot nader bewijs op grond waarvan een vervolging van beklaagde wel tot het door klager gewenste resultaat zou kunnen leiden. Het hof ziet echter geen reden om dergelijk nader onderzoek te gelasten, omdat de ernst van de beweerdelijk door beklaagde gepleegde feiten in geen enkele verhouding staat tot het leed dat haar door klager is toegebracht en vervolging van beklaagde op grond van een emotioneel geschreven brief in een relatief pril rouwproces, naar het oordeel van het hof evident niet opportuun is.
De uitspraak op rechtspraak.nl