Hof 's-Hertogenbosch 6 november 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BD6462
Klacht ex artikel 12 Sv.; art. 326, 326a Sr. Op grond van min of meer bestendige jurisprudentie zou moeten worden aangenomen dat er geen sprake kan zijn van oplichting of flessentrekkerij indien enkel bewogen is tot het verlenen van een dienst en niet de afgifte van enig goed. (HR 5 november 2002 NJ 2003,232 en HR 12 januari 1999, NJ 1999, 325). Artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) spreekt, voor zover hier van belang, immers over het bewegen van iemand tot de afgifte van enig goed, tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer en voorts ook tot het aangaan van een schuld. De term ‘schuld’ in artikel 326 Sr kan naar oordeel van het hof worden aangemerkt als een verplichting, een verbintenis in vermogensrechtelijke zin (Smidt II, p. 532 en p. 534; zie NJ 1918, 200 alsmede meer recent het arrest van de Hoge Raad van 23 juli 2002 (LJN AE5205)) Wat daar ook van zij, het hof is van oordeel dat de bijzondere omstandigheden in deze zaak er toe nopen de vervolging van beklaagde te bevelen.
De uitspraak op rechtspraak.nl