Hof 's-Hertogenbosch 3 oktober 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0989
Naar het oordeel van het Hof mag belanghebbende, die te goeder trouw een substantieel bedrag aan de renovatie heeft besteed, niet de dupe worden van de trage werking van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het feit, dat deze trage werking niet aan de Belastingdienst is te wijten, is daarbij naar het oordeel van het Hof niet relevant. Weliswaar geldt volgens bestendige jurisprudentie als hoofdregel, dat de Belastingdienst niet gebonden is aan uitlatingen door andere overheidsorganen, maar bijzondere omstandigheden rechtvaardigen een inbreuk op deze hoofdregel. Als een bijzondere omstandigheid geldt blijkens het arrest van de Hoge Raad 23 maart 1994, nr. 28.925, BNB 1994/145, de situatie waarin het andere overheidsorgaan mede betrokken is bij de uitvoering van de belastingwet. In zijn arrest van 5 januari 2000, nr. 34 689, BNB 2000/81, besliste de Hoge Raad evenwel, dat uitlatingen door een ambtenaar van een ander orgaan niet leiden tot een door de Belastingdienst te respecteren vertrouwen, indien die uitlatingen niet werden gedaan in het kader van de controle op de naleving van de belastingwet. Ofschoon het besluit van de Rijksdienst voor de monumentenzorg van 5 oktober 2001 niet is een uitlating in het kader van de controle op de naleving van de belastingwet, vormt zij wel een uitlating door een overheidsinstantie, wier bevoegdheid en handelen van rechtstreeks belang is voor de toepassing van de belastingwet. De beslissing of een pand wordt ingeschreven in een van de registers bedoeld in artikel 6 of 7 van de Monumentenwet, zoals vereist door artikel 6.31, lid 2, van de Wet IB 2001, vormt aldus een essentieel element van de belastingwet. Een belastingplichtige moet kunnen vertrouwen op uitlatingen van de voor deze beslissing bevoegde instantie.
De uitspraak op rechtspraak.nl