Hof 's-Hertogenbosch 17 oktober 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0987
Verweerder moet worden toegegeven dat geen rechtsregel voorschrijft dat de aan een belastingverordening ten grondslag gelegde raming van baten en lasten overeen moet stemmen met de gemeentelijke programmabegroting. Daar tegenover staat dat belanghebbende moet worden toegegeven dat het bevreemding wekt dat de Raad van de gemeente Y in een tijdsbestek van veertien dagen twee besluiten neemt die uitgaan van ramingen die aanzienlijk van elkaar afwijken. Deze handelwijze roept vragen op omtrent de zorgvuldigheid van de besluitvorming door de Raad, hetgeen van belang is bij de in onderdeel 4.4 bedoelde toetsing. Op zichzelf bezien echter, levert deze handelwijze onvoldoende grond voor het oordeel dat de gemeentelijke wetgever in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de op basis van de vastgestelde tarieven te ramen baten niet zouden uitgaan boven de lasten ter zake. Daar komt nog het volgende bij. Ter zitting heeft de verweerder geloofwaardig verklaard dat in de op 10 november 2003 door de Raad van de Gemeente vastgestelde Programmabegroting 2004 onder de kosten ter zake van de beleidsproducten inzameling huisvuil en riolering niet de daaraan toe te rekenen salariskosten van eigen ambtenaren zijn begrepen, terwijl die salariskosten wel zijn verwerkt in de raming die aan de onderhavige verordeningen ten grondslag is gelegd. Aldus wordt naar het oordeel van het Hof het verschil tussen deze programmabegroting en die raming afdoende verklaard. De conclusie dat de aan deze verordeningen ten grondslag gelegde ramingen niet onredelijk of willekeurig zijn, wordt voorts ondersteund door de omstandigheid dat thans moet worden geconstateerd dat die ramingen niet in betekenende mate afwijken van de uiteindelijk in 2004 door Gedeputeerde Staten van Limburg goedkeurde Programmabegroting en de blijkens de Gemeenterekening gerealiseerde cijfers. Tegen deze achtergrond en gelet op de omstandigheid dat overigens geen feiten of omstandigheden zijn komen vast te staan op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de gemeentelijke wetgever in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de op basis van de vastgestelde tarieven te ramen baten niet zouden uitgaan boven de lasten ter zake, kan de onder 4.3 weergegeven stelling van belanghebbende niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl