Hof 's-Hertogenbosch 11 december 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0129
In verband met het feit dat het pensioenreglement van Stichting bedrijfspensioenfonds Zorgverzekeraars (SBZ) destijds geen pensioenopbouw over provisie-inkomsten mogelijk maakte, heeft Stichting Centrale Zorgverzekeraargroep Ziekenfonds (hierna:CZ) voor haar buitendienstmedewerkers de mogelijkheid geschapen om deel te nemen aan een extra pensioenregeling bij een andere verzekeringmaatschappij teneinde ook pensioen over de door hen verdiende provisies op te bouwen. In 1996/1997 vond men laatstgenoemde regeling niet meer aantrekkelijk en is besloten om deze te beëindigen. Alle buitendienstmedewerkers hebben daarmee individueel ingestemd. De opbouw van pensioen over de provisies die tot dan had plaatsgevonden is ingebracht bij het pensioenfonds SBZ. Volgens een advies van 31 augustus 1999 van de Permanente Commissie ex art. 99 lid 1 CAO voor de Zorgverzekeraars in een andere procedure, kon de provisie waarover pensioenpremie werd afgedragen worden aangemerkt als een pensioendragende toeslag, zodat daarover VUT-rechten werden opgebouwd. Een aantal buitendienstmedewerkers vordert, samengevat, alsnog pensioenopbouw over de provisies met terugwerkende kracht vanaf 1-1-1998 en verhoging van hun VUT-grondslag met hun provisie-inkomsten in het jaar voorafgaand aan de ingang van de VUT-uitkering, althans schadevergoeding. De werknemers stellen dat zij wel instemden met de beëindiging van de specifieke regeling bij deze verzekeringsmaatschappij, maar niet met de beëindiging van de opbouw van pensioen over provisies. De kantonrechter oordeelt CZ aansprakelijk en stelt in zijn tweede tussenvonnis daarvan hoger beroep open. CZ komt in hoger beroep van beide tussenvonnissen. Het hof oordeelt dat uit de werkverslagen blijkt dat de medewerkers zeer goed erover zijn geïnformeerd dat het beëindigen van deze regeling het einde betekende van de opbouw van pensioen over provisies via een collectieve regeling van werkgeefster. Bij gebrek aan enige toezegging zijdens werkgeefster hebben zij geen recht op opbouw van pensioen over de provisies en evenmin op verhoging van de VUT-grondslag . Instemming Ondernemingsraad voor de beëindiging van deze pensioenregeling is niet verkregen, maar deze heeft niet de nietigheid ingeroepen. Instemming vakbonden zoals bepaald in artikel 1 hoofdstuk XIV CAO niet vereist, omdat dit een extra regeling betrof, buiten de normale pensioenregeling om en ook niet gesteld is dat zij hiermee destijds hebben ingestemd zoals in dat artikel is bepaald.
De uitspraak op rechtspraak.nl