Hof 's-Hertogenbosch 17 oktober 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7902

Artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BRV luidt als volgt: "1. Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend, indien de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als rechtens wordt hersteld als gevolg van: a. de vervulling van een ontbindende voorwaarde;". F B.V. is ter zake van de levering van de monumenten twee overeenkomsten aangegaan. Beide overeenkomsten bevatten een voorwaarde. De voorwaarde is in beide overeenkomsten gelijkluidend. Bij de vervulling van de voorwaarde worden bovendien de gevolgen van de ene overeenkomst ongedaan worden gemaakt, terwijl de gevolgen van de andere overeenkomst in werking treden. De twee overeenkomsten zijn aldus zozeer met elkaar verbonden dat zij als een geheel moeten worden beschouwd. Doel en strekking van dat geheel was naar het oordeel van het Hof onmiskenbaar de monumenten blijvend bij F BV weg te houden. Als niet G BV de monumenten zou (kunnen) verkrijgen dan verkreeg belanghebbende ze wel. De monumenten zouden naar de voorstelling van partijen in elk geval nimmer mogen terugkeren naar F BV. Voor zover de overeenkomsten meer of anders pretenderen missen ze naar het oordeel van het Hof reele betekenis. Het geheel kon aldus beschouwd nimmer tot gevolg hebben dat de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als rechtens werd hersteld, zoals vereist door artikel 19, eerste lid, van de Wet BRV.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen