Hof 's-Hertogenbosch 6 november 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7868

Aangezien gevestigde erfdienstbaarheden in beginsel naar hun aard bestemd zijn om lange tijd te bestaan, kan onverkorte handhaving daarvan in bepaalde gevallen tot grote onbillijkheid aanleiding geven. Om die reden kan, onder meer wanneer de eigenaar van het heersende erf "geen redelijk belang" heeft bij het voortzetten van de erfdienstbaarheid, op grond van art. 5:79 BW opheffing worden gevorderd. Het hof stelt voorop dat art. 5:79 BW doelbewust niet spreekt van wijziging van de erfdienstbaarheid, doch slechts van opheffing. In de parlementaire geschiedenis bij dit artikel wordt dit als volgt toegelicht. "(..) dat (..) de eigenaar van het dienende erf slechts opheffing van de erfdienstbaarheid kan vorderen. Een actie tot wijziging van de erfdienstbaarheid behoefde in [dit geval] niet geregeld te worden omdat de eigenaar van het die-nende erf deze nimmer zou instellen: de erfdienstbaarheid kan immers (..) toch niet worden uitgeoefend (..) omdat uitoefening misbruik van recht zou opleveren. Het enige belang dat de eigenaar van het dienende erf bij de actie tot opheffing (..) heeft, is daarom dat de erfdienstbaarheid uit de openbare registers verdwijnt." (Parl. Gesch. Boek 5 blz. 284.) Blijken de parlementaire geschiedenis houdt art. 5:79 BW een "alles-of-niets situatie" in. Het gaat slechts om de vraag of in de gegeven omstandigheden de erfdienstbaarheid al of niet uit de openbare registers moet verdwijnen. Bij Nota van Wijzigingen is daaraan toegevoegd dat de rechter aan de opheffing weliswaar bepaalde voorwaarden kan verbinden (vgl. art. 5:81 BW), maar duide-lijk is dat het uitgangspunt bij toepassing van art. 5:79 BW is dat de rechter niet een beetje kan opheffen (hetgeen gelijk staat aan wijzigen). De slotsom luidt aldus dat de subsidiaire vordering tot wijziging en beperking van de erfdienstbaarheid reeds hierop dient te stranden. Het hof zal hierna ook slechts beoordelen of er aanleiding bestaat om de erfdienstbaarheid op te heffen. De zinsnede "uitoefening [zou] misbruik van recht opleveren" in het citaat geeft naar het oordeel van het hof duidelijk aan dat een zeer strenge maatstaf dient te worden gehanteerd bij de afweging van het in art. 5:79 BW genoemde redelijk belang (vgl. art. 3:13 BW). Bij de afweging van tegengestelde belangen tussen de eigenaar van het heersende en die van het dienende erf heeft - gegeven de aard van de erfdienstbaarheid - te gelden dat hier geen sprake is van een afweging van gelijkwaardige belangen. De nadruk ligt op het belang van de eigenaar van het heersende erf, zij het dat de grens gevonden kan worden daar waar geen redelijk belang voor de eigenaar van het heersende erf aanwezig is. In een geval waarbij art. 5:79 BW van toepassing is, zal derhalve niet snel sprake zal zijn van het niet aanwezig zijn van een redelijk belang aan de zijde van de eigenaar van het heersende erf. Concreet betekent dit dat de eigenaar van het dienende erf een zeer zwaarwegend belang zal moeten hebben bij de opheffing van de erfdienstbaarheid, terwijl de eigenaar van het heersende erf geen zeer zwaarwegend belang behoeft te stellen bij het in stand houden van de bestaande situatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen