Hof 's-Hertogenbosch 26 juni 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7851
Als meest verstrekkende verweer doet de man een beroep op artikel 3:200 BW stellende dat de inleidende dagvaarding dateert van 2 juni 2005 en dat de afspraken met betrekking tot de verdeling dateren van vóór 2 juni 2002. Dit beroep wordt afgewezen reeds omdat dit verweer niet is onderbouwd. Niet gesteld wordt wanneer de aan het convenant ten grondslag liggende overeenkomst dan wel definitief is geworden, waar dat uit blijkt en hoe de man, nu de vrouw dit betwist, denkt zulks te kunnen bewijzen, terwijl evenmin wordt gesteld waaruit kan blijken dat 5 juni 2002 niet de datum is waarop definitief overeenstemming werd bereikt. Het hof zal er daarom van uitgaan dat partijen eerst bij de ondertekening van het convenant op 5 juni 2002 definitief overeenstemming hebben bereikt, zodat het beroep op artikel 3:200 BW faalt. De man voert aan dat naar zijn mening uit het convenant volgt dat partijen uitdrukkelijk een eventuele benadeling hebben aanvaard, als bedoeld in 3:196 lid 4 BW. Ook dit beroep wordt verworpen nu het niet wordt toegelicht of onderbouwd, terwijl het hof in de tekst van het convenant voor de betreffende stelling geen grond kan vinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl