Hof 's-Hertogenbosch 16 oktober 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7379
De rechtbank heeft als uitgangspunt gehanteerd dat alleen die kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen die behoren tot kosten die [appellante] heeft moeten maken ter tenuitvoerlegging van gerechtelijke uitspraken tussen partijen. Dit uitgangspunt acht het hof juist. Dit betekent dat noch de proceskosten in de zin van artikel 237 lid 1 Rv, noch de nakosten in de zin van artikel 237 lid 4 Rv zijn aan te merken als executiekosten, zodat deze kosten niet voor vergoeding door [geïntimeerde] in aanmerking kunnen komen. [appellante] heeft dit uitgangspunt ook niet bestreden (akte d.d. 6 juni 2002, punt 4.1.). Dit betekent tevens dat [appellante] niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de rechtbank [geïntimeerde] aansprakelijk had moeten houden voor alle kosten die [appellante] heeft moeten maken om betaling van haar alimentatie te verkrijgen, dus ook kosten wegens werkzaamheden die hebben gestaan "in het teken" van het verkrijgen van alimentatie. Ook voor de kosten die [appellante] stelt te hebben moeten maken in verband met de procedure tot het verkrijgen van toestemming om in beslag genomen aandelen te verzilveren geldt dat, hoe zeer ook die procedure is gevoerd in het kader van de executie van een eerder vonnis, de hiervoor genoemde artikelen geacht worden een uitputtende regeling te geven voor de vergoeding van de proceskosten, kosten ter voorbereiding en instructie daaronder begrepen, zodat van de in verband daarmee gemaakte kosten die niet worden gedekt door de in die procedure uitgesproken proceskostenveroordeling, niet op een andere wijze - bijvoorbeeld ten titel van executiekosten van het eerdere vonnis - met succes toch weer verdere vergoeding kan worden gevorderd. Voorts brengt voormeld uitgangspunt mee dat, anders dan [appellante] stelt, niet beslissend is dat een veroordeling in de kosten op basis van het liquidatietarief niet kostendekkend is.
De uitspraak op rechtspraak.nl