Hof 's-Hertogenbosch 16 oktober 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6883

Schoonmaakwerkzaamheden worden vanuit een bedrijf in de vleesindustrie gegund aan ISS. Ingevolge artikel 50 CAO gaan alle werknemers die voor het vorige schoonmaakbedrijf langer dan een jaar op dat project werkzaam zijn over op ISS, met uitzondering van de objectleider en de ambulant objectleider op dat project. Werknemer is als objectleider om die reden niet overgenomen door ISS. Werknemer heeft in eerste aanleg tewerkstelling gevorderd door ISS op dat project. ISS is bij verstekvonnis daartoe veroordeeld. ISS is vervolgens in verzet gekomen van haar veroordeling bij verstek. Werknemer heeft bij conclusie van antwoord in oppositie zijn eis vermeerderd met een verklaring voor recht dat hij op de datum van overname van het project van rechtswege in dienst van ISS is gekomen als opvolgend werkgever van CSU in de zin van artikel 7:662 BW. Deze vermeerdering van eis is door de kantonrechter bij tussenvonnis niet toegelaten wegens strijd met de goede procesorde. In zijn eindvonnis wordt ISS niet ontvankelijk verklaard bij gebrek aan belang. Werknemer komt in hoger geroep van het tussen- en eindvonnis en vordert alsnog beoordeling van zijn vermeerderde eis. ISS heeft zich verweerd met de uitgebreid gemotiveerde stelling dat er geen overgang is van een economische eenheid in de zin van artikel 7:662 BW, en dat zij slechts gevolg heeft gegeven aan artikel 50 CAO. Het hof oordeelt dat artikel 50 van de algemeen verbindend verklaarde CAO niet beoogt de wettelijke bepalingen omtrent overgang van ondernemingen opzij te zetten. Het hof stelt vast dat de stellingen van ISS omtrent het werken door haar bedrijf met een ander procédé, andere werkinstructies, andere materiele activa en andere know how op het project dan waarmee CSU werkte niet gemotiveerd worden weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Tegenover deze uitvoerige uiteenzetting is door werknemer enkel gesteld dat het overnemen van een substantieel aantal daar werkzame werknemers voldoende is om te spreken van overgang van een onderneming in de zin van art. 7: 662 BW omdat het hier een arbeidsintensieve sector betreft. Dit is in zijn algemeenheid onjuist. Door werknemer is onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat ondanks het niet overdragen van know how, procedés, werkinstructies, materiele activa, en de objectleider, welke laatste immers in belangrijke mate invloed kan uitoefenen op de werkwijze van de andere werknemers, er toch sprake zou zijn van de overdracht van een economische eenheid met een eigen identiteit als bedoeld in artikel 7: 662 BW. De vermeerderde eis wordt alsnog afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen