Hof 's-Hertogenbosch 30 oktober 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6828

[geïntimeerde] vordert in dit incident dat wordt bepaald dat het Metavena niet is toegestaan het als productie A1 overgelegde verslag met de bijbehorende producties B1 t/m B54 in het geding te brengen, althans dat wordt bepaald dat deze stukken door [geïntimeerde] buiten beschouwing kunnen worden gelaten [..]. Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge art. 24 Rv onderzoekt en beslist de rechter de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Op grond hiervan staat het de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd (zie onder meer HR 12 januari 2007, LJN AZ1492). Daarnaast betekent de enkele overlegging van stukken niet zonder meer dat hetgeen daarin wordt vermeld door de overleggende partij aan haar vordering of verweer ten grondslag wordt gelegd. Art. 149 lid 1 Rv bepaalt dat, tenzij uit de wet anders voortvloeit, de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van het bewijsrecht zijn komen vast te staan. Het is de rechter derhalve in beginsel wel toegestaan om de staving van de feitelijke grondslag uit ten processe gebleken (maar niet noodzakelijkerwijs door de belanghebbende partij ingeroepen) feiten af te leiden, mits deze in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld. De grens ligt daar waar een redelijk interpreterende partij niet meer weet waartegen hij zich dient te verdedigen. De rechter dient de hiervoor weergegeven uitgangspunten bij zijn beslissing in acht te nemen. Echter, dit zal hij pas na sluiting van het partijdebat naar behoren kunnen doen. Voor een op voorhand wegens strijd met genoemde uitgangspunten weigeren of buiten toepassing laten van de onderhavige producties is naar het oordeel van het hof dan ook geen ruimte. Het voorgaande geldt in casu óók voor de eventuele beoordeling van de tijdigheid van nieuwe verweren en de wijze van indienen van die verweren, evenals voor de beoordeling ten gronde van de door partijen aangevoerde feitelijke grondslag van hun vordering c.q. verweer en van de in het geding ter kennis van de rechter gekomen feiten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen