Hof 's-Hertogenbosch 14 juni 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB2719
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur onvoorwaardelijk heeft aangeboden overeenstemming te bereiken omtrent de hoogte van de terugkeerreserve In dit oordeel ligt besloten dat de Inspecteur aan zijn aanbod niet de voorwaarde heeft verbonden, dat deze hoogte van de terugkeerreserve instemming zou krijgen van de eenheid B/CPP van de rijksbelastingdienst. Anders dan de Inspecteur betoogt - althans zo verstaat het Hof hem - behoefde de belanghebbende er redelijkerwijs ook niet vanuit te gaan dat voor de vaststelling van de terugkeerreserve de instemming van de eenheid B/CPP van de rijksbelastingdienst nodig zou zijn, omdat gelet op het bepaalde in artikel 3:54a, vijfde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 de bevoegdheid tot deze vaststelling toekomt aan de Inspecteur. Evenmin had de belanghebbende op grond van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 12 februari 2001, nr. CPP2001/3176M, onder meer gepubliceerd in BNB 2001/156 aanleiding te vooronderstellen dat voor de vaststelling van de terugkeerreserve de instemming van de eenheid B/CPP van de rijksbelastingdienst nodig zou zijn, omdat ook in dat besluit ervan wordt uitgegaan dat de bevoegdheid tot deze vaststelling toekomt aan de Inspecteur. Voorts geldt dat juist omdat sprake is van een gecompliceerde problematiek, die begin 2003 niet van algemene bekendheid was en die toen nog niet definitief was uitgekristalliseerd de belanghebbende er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de Inspecteur de hoogte van de terugkeerreserve in overleg met de belanghebbende definitief wilde vaststellen. [De belanghebbende heeft] volledig vertrouwd op de berekening van de Inspecteur en hij mocht dit, naar het oordeel van het Hof, redelijkerwijs ook doen.
De uitspraak op rechtspraak.nl